geest
Geist, Gemüt, Genius, Gespenst, Intellekt, Phantom, Seele, Spuk, Verstandspirit, ghost, mind, intellect, phantom, soul, fairyesprit, âme, apparition, lutinψυχή, νους, πνεύμαmente, spiritoرُوح, عَقْلٌduševno, myslånd, sindespíritu, mentehenki, mieliduh, um心, 精神마음, 정신ånd, sinnduch, umysłespírito, menteдуша, разумande, hjärnaจิตใจ, วิญญาณruh, zihintâm trí, tinh thần头脑, 精神 (xest)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -en1. het menselijke vermogen om te denken, voelen en willen
esprit mannelijk de mensen die eenvoudig denken
les pauvres d'esprit ik kan het mij nog goed herinneren
Cela m'est revenu clairement à l'esprit. het verschil van mening
la discordance des esprits op een moeilijk moment helder kunnen nadenken
avoir la présence d'esprit 2. deel van de mens dat volgens gelovigen maakt dat hij leeft
esprit mannelijk de Heilige Geest le Saint-Esprit overlijden
rendre l'âme inspiratie krijgen
être inspiré 3. wezen zonder lichaam
esprit mannelijk bang zijn voor boze geesten craindre les esprits malins de zaak is niet meer te beheersen
il est trop tard pour contenir le mal 4. manier van denken en doen
esprit mannelijk doen zoals mijn vader zou hebben gedaan
agir dans l'esprit de mon père niet letterlijk maar volgens de achterliggende bedoeling
pas selon la lettre, mais selon l'esprit de manier van denken en handelen in een bepaalde tijd
l'air du temps Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.