zorg

Vertalingen

zorg

Angst, Ärger, Besorgnis, Betrübnis, Gram, Harm, Sorge, Unruhe, Verdruß, Weh, Pflegecare, concern, annoyance, disappointment, griefsoin, inquiétude, souci, désolation, peine, soin(s), souci(s), préoccupation, soinsعِنَايَةpéčeplejeφροντίδαcuidadovarovaisuusnjegacura注意주의omsorgopiekaatençãoзаботаomsorgการดูแลbakımsự quan tâm关心 (zɔrx)
zelfstandig naamwoord
1. wat je doet voor iets dat of iemand die hulp of aandacht nodig heeft bejaardenzorg thuiszorg monumentenzorg veel zorg besteden aan
2. meervoud -en gevoel dat er iets onaangenaams zal gebeuren geldzorgen je zorgen maken over iets Er is nu eerst drinkwater en voedsel nodig; de wederopbouw is van later zorg.
geen acuut probleem