zijn

Vertalingen

zijn

(zɛin)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd was , voltooid deelwoord is geweest
1. bestaan Er is een boomsoort die meer dan honderd meter hoog kan worden.
gaan sterven
2. je ergens bevinden Waar zijn jullie? Ik ben weer thuis.
3. je in een bepaalde toestand bevinden ziek zijn blij zijn
verliefd zijn op iemand Zij is op mij, maar ik ben niet op haar.
4. <(met een ander werkwoord) om aan te geven dat iets in het verleden is gebeurd> De bomen zijn omgehakt. Ze is gevallen.

zijn

sein, Bestehen, Dasein, Existenz, ihr, verantwortlich zeichnen, manbe, his, her, its, existence, their, absent, bear, belong, clam up, conflict, do, have, kowtow, severance, suffice, one'sêtre, son, leur, y avoir, sa, ses, arriver, avoir [âge], de), être (à, être en train de, faire [temps], le sien/la sienne, s'élever (à), son/sa/ses, avoir, constituer, il fait, le sienείμαι, δικός μου, δικός τουal suo, di ella, essere, il suo, proprio, suoخَاصَّتُهُ, خاضّ, ضَمِيرُ الغَائِبُ الـمُتَّصِلُ, يَكُونُ, يَكْونbýt, jeho, svůjens, hans, sin, værede uno, estar, propio, ser, su, suyohänen, olla, yksi, yksi jstak tietystä ryhmästä, yksi monista, toinenbiti, njegov, svoj・・・がある, いる, 一般的な人を指す所有格, 彼の, 彼のもの~이라는 사람의 소유격, 그의, 그의 것, (…) 이다, 있다ens, hans, værebyć, jego, swójdele, estar, haver, ser, seu, seu, seusбыть, его, нашеens, hans, varaเป็น อยู่ คือ, ของเขา, ของเขาผู้ชาย, คำแสดงความเป็นเจ้าของkişinin, olmak, onun, onunki, var olmakcủa ai, của anh ấy, là, ở, thứ của anh ấy他的, , , 某人的 (zɛin)
voornaamwoord
<je gebruikt dit woord als iets van een man is of bij een man hoort> Zijn fiets is te hoog voor mij.