voorwenden

(doorverwezen van wendde voor)
Vertalingen

voorwenden

angeben, den Vorwand brauchen, erheucheln, vorgeben, vorschützenpretend, feign, giveasanexcuseprétexter, se retrancher, feindre, simuler, affecter, alléguer, fabuler ('vorwɛndə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd wendde voor , voltooid deelwoord heeft voorgewend
als echt voorstellen door te doen alsof of te liegen Hij wendde voor dat hij gek was. Zijn baas dacht dat hij de ziekte voorwendde. Ze wendde voor dat ze dringend weg moest.