weekend

Vertalingen

weekend

weekend, week‐endweek-end, week‐end, fin de semaineσαββατοκύριακοعُطْلَةُ نِهَايَةِ الُأسْبُوعvíkendweekendWochenendefin de semanaviikonloppuvikendfine settimana週末주말helgweekendfim de semana, final de semanaвыходные дниhelgวันหยุดสุดสัปดาห์hafta sonungày cuối tuần周末週末 ('wikɛnt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -s, -en
de laatste twee dagen van de week, waarop veel mensen niet werken Ik ga een weekendje kamperen. In het weekend kom ik niet voor twaalf uur uit mijn bed.
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.
Collins Multilingual Translator © HarperCollins Publishers 2009