vreten

Vertalingen

vreten

fressen, essen, genießen, speiseneat, feed, grubdéjeuner, manger, bouffealimentare, allattamento, foderare, mangiareกิน食べるjíst ('vretə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd vrat , voltooid deelwoord heeft gevreten
1. eten In de natuur is het vreten of gevreten worden. Die pizza is niet te vreten! opvreten
2. in grote hoeveelheden gebruiken Mijn koelkast vreet energie.
3. iets kost je veel energie, maakt je moe Die onzekerheid vreet aan me.