voorbij

Vertalingen

voorbij

(vor'bɛi)
bijvoeglijk naamwoord
wat gebeurd is de voorbije jaren

voorbij

(vor'bɛi)
bijwoord
1. voorbijgegaan (2), voorbijgereden enz. Wacht tot de trein voorbij is. Zijn we je huis nu al voorbij?
als je je nergens meer voor schaamt
2. wat tot het verleden behoort De winter is voorgoed voorbij.

voorbij

über ... hinaus, vorbei, vorig, vorüber, beendet, hinter, jenseitspast, beyond, over, by, last, straightpastpassé, devant, fini, au‐delà de, plus loin (que), fini/finie, au-delà, de l'autre côté deمُنْتَهِي, وَرَاء, وَرَاءَskončený, zaforbi, overstået, på den anden side afολοκληρωμένος, πέρα, πέρα απόacabado, más allá, pasarohi, takana, ylidalje od, gotov, pokrajdi fronte a, oltre, terminato・・・のそばの, ・・・の向こうに, 終わって...의 너머에, ~을 지나서, 끝난bortenfor, forbi, overpoza, skończony, zaa seguir, acabado, além de, depoisза пределами, законченный, позадиbortom, förbi, särskildเลยออกไป, ที่จบสิ้น, ผ่านbitmiş, geçmek, ötesindeđã xong, ngang qua, ngoài上面的, 在…另一侧, 超过 (vor'bɛi)
voorzetsel
verder dan Voorbij de stoplichten neem je de tweede straat rechts.