vlak

Vertalingen

vlak

(vlɑk)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -ken
platte kant van een voorwerp Een dobbelsteen heeft zes vlakken.
op het gebied van of wat betreft Hij is deskundig op het vlak van internationaal recht.

vlak

(vlɑk)
bijvoeglijk naamwoord
1. plat en effen Het vlakke landschap wordt hier en daar onderbroken door een rijtje bomen. een computer met een vlak scherm
2. (van geluid) zonder afwisseling een vlakke stem

vlak

bündig, eben, flach, Fläche, glatt, Ebeneeven, flat, level, smooth, plane, exactly, sharp, sideplat, plan, justement, précisément, uni, égal, pan, à plat, face, juste, lisse, ras, plage, plainelevigare, netto, pianoسَطْحٌ مُسْتَوٍrovinaplanεπίπεδη επιφάνειαplanotasoravnina平面평면flatepłaszczyznaplano, aviãoплоскостьplan ytaพื้นราบdüzlemmặt phẳng平面, 飞机飛機равнина (vlɑk)
bijwoord
1. meteen (vóór of na iets) Vlak nadat ik jou gebeld had, belde hij mij.
2. zeer dicht (bij, onder, naast enz.) Opeens stopte vlak voor mij een auto, die ik niet meer kon ontwijken. Ik woon vlak bij het strand.