tros

Vertalingen

tros

Kabel, Zug, Traubecable, cluster, train, bunch, stringcâble, grappe, train, baie], datte], grappe [raisin, régime [banane, bouquet, régimeгроздь (trɔs)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -sen
1. stel bloemen of vruchten die met kleine steeltjes aan één grote steel groeien een tros druiven een tros bananen
2. kabels waarmee je een schip aan de kade vastlegt de trossen losgooien