storen

Vertalingen

storen

stören, beengen, behelligen, behindern, belästigen, genieren, hindern, inhibieren, lästig fallen, verhinderndisturb, bother, bar, hinder, inhibit, prevent, trouble, chagrin, galldéranger, gêner, brouiller, fatiguer, inquiéterfrastornare, disturbareيُزْعِجُrušitforstyrreενοχλώmolestar, perturbarhäiritäuznemiriti邪魔をする방해하다forstyrrezaniepokoićperturbarотвлекатьstöraรบกวนrahatsız etmekquấy rầy扰乱 (ˈstorə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd stoorde , voltooid deelwoord heeft gestoord
1. (iemand) op een vervelende manier onderbreken bij zijn of haar bezigheden Tijdens ons werk werden we gestoord door brandalarm. Mag ik je even storen?
2. telecommunicatie (van radio of tv) een slecht geluid of beeld geven Als er teveel apparaten aanstaan, stoort de televisie.