stoplicht

Thesaurus

stoplicht:

verkeerslicht
Vertalingen

stoplicht

Ampel, Bremslicht (ˈstɔplɪxt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. paal met rood, oranje en groen licht om het verkeer te regelen Ik ben per ongeluk door een rood stoplicht gereden.
2. lamp op een voertuig die brandt als je remt De stoplichten van de auto voor ons doen het niet.