rusten

Vertalingen

rusten

ruhen, sich ausruhenrepose, restse reposer, (se) reposer, avoir l'esprit tranquille, être posé, ne pas être utilisé, peser, reposer (sur), appuyersossegar (ˈrʏstə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd rustte , voltooid deelwoord heeft gerust
(van iemand) ontspannen door niets te doen of te slapen
vastberaden bezig blijven een doel te bereiken
<in een grafschrift>
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.