ook

Thesaurus
Vertalingen

ook

auch, ebenfalls, gleichfalls, zutoo, also, likewiseaussi, même, non plus, par conséquent, peut-être, vraiment, également, pareillement, sitambiéntambém, outrossimancheأَيْضاًtakéogsåεπίσηςmyöstakođer・・・も, また...도 또한, 또한altfor, ogsårównieżтакжеocksåเช่นกัน, อีกด้วยayrıca, de, dacũngגם (ok)
bijwoord
1. <woord waarmee je aangeeft dat nog iets of iemand anders komt of meetelt> De buren aan de overkant doen ook mee. Een eend kan alles: zwemmen, vliegen en ook nog een beetje lopen.
2. in ieder geval We gaan hoe dan ook naar Frankrijk deze zomer, maar we weten nog niet wanneer precies.
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.