namelijk

Vertalingen

namelijk

zwarnamely, viz., to wità savoir, c'est-à-dire, en effet, soit, c’est-à-dire (ˈnamələk)
bijwoord
<als toelichting of verklaring> De bank is dicht, het is namelijk zondag. Twee van ons gingen met de fiets, namelijk mijn vader en ik.