loot

Thesaurus

loot:

lotstekje, twijg, lotsbestemming, takje, scheut, loterijlot, spruit,
Vertalingen

loot

Abkomme, Abkömmling, Ableger, Absenker, Sproß, Sprößlingchild, layer, offspring, shoot, youngpousse, rejeton, rejetfanciulla, fanciullesco, fanciullobotín战利品戰利品plyndre전리품 (lot)
zelfstandig naamwoord meervoud loten
nieuwe, kleine tak aan een boom
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.