krioelen

Zoekopdrachten gerelateerd aan krioelen: scheut, wemelen
Thesaurus
Vertalingen

krioelen

schwärmen, wimmelnswarm, aboundfourmiller, grouiller (kriˈjulə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd krioelde , voltooid deelwoord heeft gekrioeld
met velen allemaal door elkaar bewegen een krioelende menigte
er zijn heel veel... Het krioelt hier van de mieren. Dat rapport krioelt van de fouten.
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.