hinderen

Vertalingen

hinderen

beengen, behindern, belästigen, genieren, lästig fallen, störenbother, disturb, hinder, trouble, interferegêner, déranger, contrarier, embarrasser, importuner, obstruerfrastornare (ˈhɪndərə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd hinderde , voltooid deelwoord heeft gehinderd
lastig of vervelend zijn voor (iets of iemand) De radio hindert me bij mijn werk. De auto met pech hindert de doorstroming van het verkeer.
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.