deugen

(doorverwezen van heeft gedeugd)
Vertalingen

deugen

taugenbesuitable, fit, suitconvenir, être bon à (ˈdøxə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd deugde , voltooid deelwoord heeft gedeugd
1. goed zijn, in orde zijn Die fiets deugt niet. Ik kan er niet mee wegrijden.
2. geschikt zijn voor Zou ik niet deugen voor leraar?
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.