haast

Thesaurus
Vertalingen

haast

(hast)
zelfstandig naamwoord meervoud
toestand waarin snel iets moet Dat werk heeft geen haast, stel dat nog maar even uit. gloeiende haast hebben om de trein te halen Ik schrijf je in haast dit berichtje.

haast

fast, alsbald, bald, baldig, beinahe, nahezu, schier, ungefähr, Eilealmost, nearly, haste, soon, hurry, rushhâte, presque, bientôt, empressement, tout à l'heure, urgence, bousculade, précipitationпочтиskoro, téměř, spěchσχεδόν, βιασύνηpreskauxcasi, prisalähes, melkein, kiire, ryntäyshampir, nyarisquasi, prossimamente, frettaほとんど, 大急ぎ, 突進거의, 골풀, 서두름paensegandrīzquase, pressaaproapeпочти, спешкаnästan, brådska几乎, 幾乎, 匆促, 匆忙اِنْدِفاع, عَجَلَةٌhast, hastværkžurbahastverkoczeret, pośpiechความเร่งรีบ, รีบเร่งacele, telaşsự vội vã, sự vội vàng (hast)
bijwoord
bijna Ik heb het zo druk dat ik haast geen tijd meer heb voor mijn vrienden.