geit

Vertalingen

geit

(xɛit)
zelfstandig naamwoord meervoud -en
een herkauwend dier met holle, naar achteren gekromde horens en een sik angorageit
kom op!

geit

Ziege, Geiß, Zickegoat, she‐goatchèvreκατσίκαcabraкоза, козелcapraماعِزkozagedvuohikozaヤギ염소geitkozacabragetแพะkeçicon dê山羊山羊עז (xɛit)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud -en
1. vrouwelijke geit (1) geitenkaas
2. meisje dat veel giechelt Als die twee geiten naast elkaar zitten, wordt er alleen maar gegiecheld.