eerst

Thesaurus

eerst:

vantevorenvoorgerecht, voorafgaand, vooraf,
Vertalingen

eerst

erst, erstens, zuerstfirstly, first, firstofalld'abord, au commencement, en premier lieu, au début, en premier, seulement, avant, premierпервыйdapprimaprimeiropierwszyprvníensimmäinen첫 번째förstaแรก (erst)
bijwoord
1. vóór alle anderen, vóór alles eerst soep en daarna het hoofdgerecht het eerst van iedereen
voor de eerste keer
2. vroeger Eerst woonde ik in Amsterdam, maar nu woon ik in Utrecht.