dribbelen

Vertalingen

dribbelen

traben, trotten, dribbelntrottrotter, dribbler, trottiner (ˈdrɪbələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd dribbelde , voltooid deelwoord heeft gedribbeld
met kleine pasjes lopen De kleuter dribbelt de kamer door. Dribbelen is een tactiek in het voetbalspel.