bonbon

Thesaurus

bonbon:

flikjechocolaatje,
Vertalingen

bonbon

Bonbonbonbon, bon‐bonbonbon, bouchée (bɔmˈbɔn)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
luxe chocolaatje met vulling kersenbonbons
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.