blazen

Thesaurus

blazen:

hijgenpuffen, fluiten, pijpen,
Vertalingen

blazen

blasen, wehen, pustenblow, windsouffler, grogner, jouer [d'un instrument], soufflesopro, soprarيَنْفُخُ, يَهُبُfoukatblæse, pusteφυσάω, φυσώsoplarpuhaltaapuhatisoffiare・・・に息を吐く, 吹く불다blåsedmuchać, dmuchnąćдутьblåsaเป่า, พัดesmek, üflemekthổi, 风吹 (ˈblazə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd blies , voltooid deelwoord heeft geblazen
met getuite lippen krachtig lucht uit je mond laten gaan in je kopje blazen omdat je thee te heet is om te drinken
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.