bewapenen

Thesaurus

bewapenen:

wapenen
Vertalingen

bewapenen

bewaffnen, rüsten, waffnenarmarmer, armer (de)armare, manica, povero, regolarebrazoрукаbraçoالذراعramięрамоarmזרועarmแขน (bəˈwapənə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd bewapende , voltooid deelwoord heeft bewapend
iemand of iets van wapens voorzien bewapend met pijl en boog zich bewapenen tegen een inval
met veel wapens
Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.