aanvoeren

Thesaurus

aanvoeren:

leidingopperen, voorgaan, poneren,
Vertalingen

aanvoeren

befehlen, befehligen, gebieten, kommandieren, zuführencommand, govern, order, supply, beincommand, bring, convey, headup, restrain, head, leadalléguer, commander, diriger, être à la tête (de), transporter, invoquer, débiter, élever, véhiculercomandare, comando, dominare, lavorazione, ordine (ˈanvurə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd voerde aan , voltooid deelwoord heeft aangevoerd
1. de leiding hebben over, of bovenaan staan een leger aanvoeren een sportteam aanvoeren een verkiezingslijst aanvoeren
2. ergens heen brengen levensmiddelen aanvoeren naar de winkels
3. tegen anderen zeggen argumenten aanvoeren tegen de bouw van een fabriek De winkeldief voert ter verdediging aan dat hij geen geld meer heeft.