overweg
(ovərˈwɛx)
bijwoord kunnen omgaan met se sentir à l'aise avec overweg kunnen met een motorzaag se sentir à l'aise avec une / pouvoir se servir d'une tronçonneuse goed overweg kunnen met de bovenburen bien s'entendre avec ses voisins du dessus
overweg
Bahnüberganglevel‐crossing, alongpassage à niveaukřížení (ˈovərwɛx)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -wegen plaats waar een weg een spoorlijn kruist
passage mannelijk à niveau een onbewaakte overweg un passage à niveau non gardé Kernerman English Multilingual Dictionary © 2006-2013 K Dictionaries Ltd.