zoet

Thesaurus

zoet:

zoetsmakend
Vertalingen

zoet

süß, freundlich, Süßigkeit, lieb, Süßwassersweet, gentle, soft, fresh, affable, candy, friendly, good‐natured, kind, tender, luscioussucré, doux, friandise, gentil, doux/douce, affable, aimable, amène, suave, avec douceur, sage, sagement, douce, mignondolce, placido, soffice, amabile, frescoحُلْو, لَطِيف, ماءٌ عَذْبpříjemný, sladkýfersk, sødαβρός, γλυκόςagua dulce, dulce, encantadorherttainen, makeamio, sladak, slatkovodan快い, 淡水の, 甘い단, 소금이 안든, 즐거운fersk, søt, tiltalendeprzyjemny, słodka (woda), słodkidoce, meigoмилый, пресный, сладкийfrisk, rar, sötน่าพอใจ, น้ำจืด, หวานtatlı, tazedễ chịu, ngọt令人满意的, 淡的, 甜的 (zut)
bijvoeglijk naamwoord
1. zuurzoutbitter met de smaak van suiker zoete druiven Het bier smaakt zoet.
zeewater water zonder zout
2. aangenaam om te horen, ruiken enz. zoete geuren
3. (van kinderen) lief en rustig Ze was zoet aan het spelen met de blokken.
nog wel een tijdje bezig zijn met Ik ben nog wel een tijdje zoet met deze puzzel.