zin

Vertalingen

zin

Satz, Absicht, Äußerung, Bedeuting, Begehr, Bezeichnung, Gesinnung, Gutdünken, Inklination, Lust, Meinung, Phrase, Plan, Redensart, Satzgefüge, Sinn, Verstand, Wunschsentence, disposal, inclination, meaning, sense, want, desire, feeling, intention, opinion, plan, pleasure, sensation, tendency, willingness, wishphrase, sens, désir, souhait, dessein, intention, plaisir, propos, signification, volonté, envie, avis, importance, opinion, sentiment, (bon) sens, humeur, projet, convenance, gréplacer, oraciónaccezione, levatura, fraseجُمْلَةvětasætningπρότασηlauserečenica문장setningzdaniefrase, significadoпредложениеmeningประโยคcümlecâu句子משמעות (zɪn)
zelfstandig naamwoord mannelijk
1. taalkunde meervoud -nen reeks woorden die een geheel vormen Begin de zin met een hoofdletter en sluit af met een punt.
2. meervoud -nen zintuig, gevoel of verstand tastzin Zij heeft zin voor orde.
iets anders doen ter afleiding
graag willen hebben of doen Ik heb mijn zinnen gezet op een huisje aan zee.
(tijdelijk) gek of heel opgewonden zijn
3. verlangen of wens Ik heb geen zin om te stofzuigen. Het is me hier te lawaaierig naar mijn zin.
krijgen of doen wat je wilde Na lang zeuren kreeg ze haar zin.
4. betekenis
op een bepaalde manier In zekere zin heeft hij gelijk
5. nut of doel Wat is de zin van het leven? Het heeft weinig zin om hiermee door te gaan.