zij

Vertalingen

zij

(zɛi)
zelfstandig naamwoord meervoud -den
zijkant van je lichaam steken in je zij voelen als je hardgelopen hebt

zij

sie, die, Flanke, ihnen, ihr, ihrer, Seide, Seite, manthey, she, silk, her, sideelle, ils, côté, elles, flanc, soie, ils/elles, euxellos, ella, ellashe, hänoni, one, onaони, она, боквониαυτή, μετάξι, αυτοίhenne, de, hunseta, lei, loroهُمْ, هِيَona, onide, hunona, oni彼らは, 彼女は그 여자, 그들eles, elade, honเธอ, พวกเขาทั้งหลายo, onlarcô ấy, họ他们, 他們 (zɛi)
voornaamwoord
1. <dit zeg je als je het over een vrouw hebt> Zij heeft het hele stuk in haar eentje gereden.
2. <dit zeg je als je het over twee of meer mensen of dingen hebt> Zij hebben twee kinderen. De meeste van mijn collega's hebben geen auto. Zij komen altijd op de fiets.