ziel

Vertalingen

ziel

Seele, Gemütsoulâmeψυχήalmaنَفْسdušesjælalmasieludušaanima영혼sjelduszaдушаsjälวิญญาณruhlinh hồn灵魂душа靈魂 (zil)
zelfstandig naamwoord vrouwelijk meervoud -en
1. onzichtbaar en onsterfelijk deel van de mens dat volgens gelovigen maakt dat je leeft
erg openhartig zijn over wat je denkt en voelt
iemand ernstig kwetsen of beledigen
2. mens De arme ziel kan niet in haar eigen huis blijven wonen; ze moet naar een verzorgingshuis.
<dit zeg je als blijkt dat twee mensen toevallig tegelijk hetzelfde gaan doen of zeggen>