ziekelijk

Vertalingen

ziekelijk

unpäßlichailing, notwell, upsetmaladif/-ive, maladivement, chétif, maladif, malsain, pathologique (ˈzikələk)
bijvoeglijk naamwoord
1. (van iemand) vaak ziek een ziekelijk kind
2. abnormaal een ziekelijke belangstelling voor de dood