zicht

Vertalingen

zicht

Aussehen, Gesicht, Sehen, Sichtsickle, view, sight, perceptionvue, visibilitévisiónfalce (zɪxt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
het kunnen zien slecht zicht vanwege de mist
(iets) redelijkerwijs kunnen verwachten Ze heeft zicht op een leukere functie bij hetzelfde bedrijf.
zorgen dat iets niet meer gezien wordt Door een rij struiken worden de afvalcontainers aan het zicht onttrokken.