zeuren

Vertalingen

zeuren

casser les pieds (à qn), geindre, rabâcher, radoter, tarabusterيُزعِجُ إِزْعَاجَاً مُتَّصِلاًsekýrovatplageherumnörgelnγκρινιάζωnagdar la latanalkuttaazanovijetaticriticareがみがみ小言を言う잔소리하다masegderaćapoquentar, chatearпридиратьсяtjataจ้องจับผิดdırdır etmekcằn nhằn唠叨 (ˈzørə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd zeurde , voltooid deelwoord heeft gezeurd
op een vervelende toon steeds min of meer dezelfde vraag of klacht herhalen zeuren om een ijsje Ze zaten maar te zeuren over het ontslag van hun schoonzoon.