zet

Vertalingen

zet

Bewegung, Handlung, Stoß, Tat, Triebachievement, act, action, movement, push, moveaction, mouvement, coup, bourrade, poussée (zɛt)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -ten
1. het duwen iemand een zetje geven
2. keer dat je een schaakstuk of een damsteen verplaatst Je bent aan zet. tegenzet
een handige manier van doen
aan de beurt zijn om iets te doen De rebellen willen onderhandelen; de regering is nu aan zet.