zeil

Vertalingen

zeil

Segel, Segelwerksail, ragvoile, linoléum, toile, voilurebộ buồm, cánh buồmشِرَاعplachtasejlπανίvelapurjejedrovelaseilżagielvelaпарусsegelใบเรือyelken (zɛil)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -en
1. groot wit doek aan de mast van een zeilboot dat de wind moet vangen om te kunnen varen grootzeil
alles doen om iets te laten lukken
gaan slapen
2. waterdicht doek om iets af te dekken een zeil leggen over de nieuwe meubels om die tegen de verfspatten te beschermen
3. harde, vaste vloerbedekking van bijvoorbeeld van vinyl of kurk zeil laten leggen in de hal