zegen

Vertalingen

zegen

blessing, boonbénédiction, bien, salutbênçãobenedizionebłogosławieństwobendición祝福velsignelseευλογία축복Segen祝福نعمةברכהvälsignelseблагословениеpožehnání (ˈzexə(n))
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
1. woorden waarmee iemand de gunst en bescherming door God voor iemand of iets vraagt iemand de zegen geven de zegen uitspreken over de stad en de wereld
van mij mag je het doen
2. de voorspoed die God je geeft Mijn kinderen zijn mijn grootste zegen. Ik wens je veel heil en zegen in het nieuwe jaar.
in dat huis hebben ze vaak pech