zien

(doorverwezen van zag)
Vertalingen

zien

sehen, anblicken, ansehen, blicken, schauen, zuschauen, zusehen, treffensee, consider, deem, regardvoir, regarder, avoir l'air (de), être, lireدیدنvedeaбачити, побачитиnhìn, trông, nhìn thấy, thấyβλέπωver, mirar, 与…见面, 看见يَرَىsejít se, vidětmøde, senähdä, tavatasresti, vidjetivedere・・・に会う, 見る...을 보다, 만나다sewidzieć się, zobaczyćencontrar, verвидеть, видитьсяse, träffaเห็น, พบgörmek (zin)
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd zag , voltooid deelwoord heeft gezien
1. waarnemen met je ogen een bril nodig hebben, omdat je minder goed gaat zien een programma gezien hebben op tv
weggaan
<afscheidsgroet>
<dit zeg je als je iets echt niet wilt>
we wachten maar af
verwachtingen hebben van (iets of iemand) Wat ziet hij toch in dat meisje?
2. opvatten Ik zie dat anders dan jij.
3. eruitzien bleek zien Het zag er blauw van de rook.