zacht

Vertalingen

zacht

weich, leise, mild, süß, sanftsoft, gentle, mild, tender, sweet, smoothdoux, tendre, gentil, mœlleux, mou, doux/douce, mou/mol/molle, suave, sucré, doucement, mollement, souple, clément, délicat, délicatement, bas/basseblando, suavedolce, placido, soffice, morbidoنَاعِم, هادِئměkký, tichýblød, dæmpetαπαλός, μαλακόςpehmeä, varovainenmekan, nježan柔らかい, 静かな부드러운mykłagodny, miękkimacio, suave, Softмягкийmjuk, svagแผ่วเบา, อ่อนนุ่มyumuşakmềm, mềm mịn柔和的, 软的, мека (zɑxt)
bijvoeglijk naamwoord
1. hard gemakkelijk in te drukken, te buigen enz. een zacht kussen een zachte huid een zacht ei
2. luidhard met weinig lawaai De radio speelt zacht.
3. <van weer> aangenaam en niet koud een zachte winter
4. fel <van kleuren> niet schel een interieur in zachte tinten roze
5. niet sterk of heftig voor het gevoel een zacht briesje een zacht klopje op de schouder
zonder dwang
een dood zonder veel lijden
6. snelhard langzaam Vlakbij de school ging hij zachter rijden.