| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.769.160.593 Bezoekers. |
|
zaal |
0,03 sec. |
|
zaal zn zaal (zalen mv) [zal]
1 grote overdekte ruimte theaterzaal sportzaal 2 de mensen die zich in een zaal (1) bevinden De zaal klapte uitbundig. op zaal liggen in een ziekenhuis met meerdere patiënten in één vertrek liggen een uitverkochte zaal theaterzaal of sportzaal waarvan alle plaatsen zijn verkocht volle zalen trekken veel publiek trekken De band kreeg de zaal helemaal plat. de band maakte het publiek laaiend enthousiast Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|