| Nederlands Woordenboek / Dutch Dictionary 1.768.884.721 Bezoekers. |
|
zij |
0,02 sec. |
|
zij1 zn zij (-den mv) [zɛi] zijkant van je lichaam steken in je zij voelen als je hardgelopen hebt zij2 vnw zij [zɛi]
1 dit zeg je als je het over een vrouw hebt;= ze Zij heeft het hele stuk in haar eentje gereden. 2 dit zeg je als je het over twee of meer mensen of dingen hebt;= ze Zij hebben twee kinderen. De meeste van mijn collega's hebben geen auto. Zij komen altijd op de fiets. Vertalingen zij he, hän zij вони zij ona, oni zij de, hun zij ona, oni zij 彼らは, 彼女は zij 그 여자, 그들 zij de, hon zij เธอ, พวกเขาทั้งหลาย zij cô ấy, họ Voeg toe aan iGoogle Gratis Website inhoud – Webmaster tools |
|
| Gratis hulpprogramma's: |
Voor bezoekers:
Browser extensie |
Woord van de Dag |
Help
Voor webmasters: Gratis inhoud | Link | Lookup box | Dubbelklik om te zoeken | Wordt onze partner |
|---|