wonen

Thesaurus

wonen:

woon
Vertalingen

wonen

wohnen, hausen, lebenlive, dwellhabiter, loger, vivre, demeurer, résidervivirhabitar, viverيَعِيشُ, يعيشžítboζωelääživjetivivere生きる살다leveprzeżyćжитьlevaพักอาศัยyaşamaksống生活 (wonə(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd woonde , voltooid deelwoord heeft gewoond
ergens je huis, appartement of etage hebben en daar permanent leven in Amsterdam wonen
een kleine woning hebben
in een deftige buurt wonen
uit het ouderlijk huis gaan en in een eigen woning gaan leven