winter

Vertalingen

winter

winterhiverWinterχειμώναςinviernoзимаinverno, vernoالشِّتَاءzimavintertalvizima겨울vinterzimainvernovinterฤดูหนาวkışmùa đông冬天зимаחורף (ˈwɪntər)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
koudste jaargetijde, na de herfst en vóór de lente een strenge winter
midden in de winter
<dit zeg je tegen iemand die een onverwacht voordeeltje behaalt>