winkel

Thesaurus

winkel:

winkelzaakzaak,
Vertalingen

winkel

Laden, Butike, Geschäft, Kramladen, Kaufhausshop, store, boutiquemagasin, boutique, commercetienda, almacéncampeggio, immagazzinare, negozioمَحَلٌ تِـجارِيّ, مَحَلّobchod, prodejnabutikκατάστημα, μαγαζίkauppa, myymälätrgovina상점butikk, lagerbeholdningskleplojaмагазинaffärร้าน, ร้านค้าdepo, dükkan/mağazacửa hàng商店, 店铺Магазин (ˈwɪŋkəl)
zelfstandig naamwoord mannelijk meervoud -s
bedrijf waar je dingen kunt kopen speelgoedwinkel
zorgen dat alles blijft gaan zoals het ging en verder niets veranderen