wild

Vertalingen

wild

(wɪlt)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
a. dieren die leven in de vrije natuur en waarop mensen jagen De poelier verkoopt wild en gevogelte.
niet meer kunnen functioneren omdat er geen vertrouwen meer in je is Na het schandaal was hij aangeschoten wild.
b. in de vrije natuur

wild

wild, Wildbretwild, savage, dreary, gamesauvage, gibier, avec fougue, bruyant, de façon incontrôlée, état sauvage, fougueux/-euse, incontrôlé, rauque, turbulent, féroce, hagard, sauvagementsalvajesilvestre, selvagemcrudele, selvaggioبَرِيّdivokývildάγριοςvillidivlji野生の야생의villdzikiдикийvildไม่เชื่องyabanihoang dã野性的 (wɪlt)
bijvoeglijk naamwoord
1. tam (van dieren) niet getemd wilde dieren
2. gecultiveerd in de vrije natuur voorkomend en niet door mensen gekweekt een wilde roos
3. kalm woest en ruw wilde gebaren maken
verhalen die moeilijk te geloven zijn
erg enthousiast
lukraak, op goed geluk
een staking die niet door de vakbonden is georganiseerd en gesteund