wiebelen

Vertalingen

wiebelen

taumeln, wackeln, zagen, zaudern, zögernwaver, hesitatebarguigner, hésiter, remuer, s'agiter (sur sa chaise), vacillerbarcollare, ondeggiamento, svolazzare, vertere (ˈwibələ(n))
werkwoord
enkelvoud onvoltooid verleden tijd wiebelde , voltooid deelwoord heeft gewiebeld
heen en weer bewegen bij het staan of zitten De vaas wiebelde en viel. Op je stoel zitten te wiebelen.