wie

Vertalingen

wie

wer, wem, das, der, die, welche, welcher, welches, wen, Wer auch immerwho, whom, he who, he whom, which, whoeverqui, que, auquel, qu', quel, quelle, quelles, quels, qu'est‐ce qui, celui/celle qui, ceux/celles qui, dont, qui est-ce qui/que, quiconque, quel/quelle, celui que, celui qui, à qui, n'importe quikto, kogo, krokolwiekкто, кто бы ниai, ai mà, bất cứ ai, người nàoche, chi, chiunqueكُلُّ مَنْ, مَنْkdo, kdokoli, komuhvem, som, uanset hvemοποιοσδήποτε, ποιος, τον οποίοa quién, quien, quién, sea quien seaketä, kuka, kuka tahansatko, tkogod誰, 誰でも, 誰を누구, 누구든~하는 사람, 누구에게hvem, uansettquem, que, quem quer que, seja quem forsom, vem, vem som änใคร, ใครก็ตาม, ผู้ซึ่งistediğin kişi, kim, kime/kimi, 任何人מיКой (wi)
voornaamwoord
1. welke persoon Wie heeft de wedstrijd gewonnen?
2. <woord waarmee je refereert aan een persoon die je al eerder hebt genoemd> De man aan wie ik denk.
De mensen die willen, mogen komen.