wezen

Vertalingen

wezen

(ˈwezə(n))
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud -s
1. levend schepsel, zoals een mens of dier een menselijk wezen een buitenaards wezen
2. de essentie (van iets of iemand) oorsprong en wezen van de dingen

wezen

Essenz, Existenz, Natur, sein, Wesen, Geschöpfcreature, essence, be, gist, character, nature, being, intelligenceêtre, créature, nature, essence, fondείμαι, πλάσμαser, criaturadevoto, sua, creaturaمَخْلُوقtvorskabningcriaturaolentostvor生き物피조물skapningstworzenieживотноеvarelseสิ่งมีชีวิตyaratıksinh vật动物 (ˈwezə(n))
werkwoord
1. zijn Dat zal wel wezen.
ze is mooi, aardig enz.
ironisch het kan me niets schelen
2. gaan We zijn wezen fietsen.