wel

Thesaurus

wel:

welnu
Vertalingen

wel

(wɛl)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
hoe het met iets of iemand gaat In de serie volgen we het wel en wee van een beginnende manager.

wel

wohl, allerdings, Born, freilich, immerhin, ja, ja doch, nu, nun, nun wohl, obgleich, obschon, Quelle, wahrscheinlich, wenn auch, Wohlsein, zwar, magalthough, now, source, spring, surely, though, certainly, fountain, indeed, probably, rather, well, well‐being, wellthen, may, do, whysi, certes, fontaine, probablement, source, d'abord, eh bien, quoique, bien, eh bien!, il est vrai que...sebbene (wɛl)
bijwoord
1. goed welgevormd welluidend Wel thuis!
helemaal, volledig Het project is al mislukt voordat het goed en wel is begonnen.
<hierna volgt een bezwaar> Alles goed en wel, maar wie moet dat betalen?
2. niet <dit woord drukt uit dat iets waarvan gezegd of gedacht wordt dat het niet waar is, toch waar is> Ze zegt van niet, maar ze heeft het wél gedaan.
3. <dit woord drukt uit dat iets waar is, ondanks iets anders> Het is misschien streng, maar wel rechtvaardig. Je mag dan wel geluk gehad hebben, maar je hebt er ook hard voor gewerkt. Ja, dat wel.
4. een beetje, tamelijk Ze is wel aardig. Het gaat wel.
5. <dit woord drukt een vermoeden of twijfel uit> We zullen wel voor donker thuis zijn. Hij zal wel weer niet komen. Kun je het wel aan?
6. amper <dit woord drukt uit dat het om een grote hoeveelheid, afstand, lange tijd, hoge prijs enz. gaat> Hoeveel zijn het er wel niet? Het zijn er wel duizend! Ik heb haar wel in geen tien jaar gezien.
7. <in verschillende betekenissen> Dat gebeurt wel vaker. Dat is wel zo makkelijk. Het geluid mag wel wat zachter.
8. <dit gebruik je om iets te verduidelijken> Ik wil eten, en wel nu!
9. <aansporing om eerlijk of realistisch te zijn> Want laten we wel wezen, zonder hulp was het hem nooit gelukt.