weer

Vertalingen

weer

(wer)
zelfstandig naamwoord onzijdig meervoud
meteorologie temperatuur, bewolking, windsnelheid en vochtigheid op een bepaalde plaats Het is mooi weer vandaag. Hoe is het weer daar?
moeilijke omstandigheden De bank verkeert in zwaar weer.
onder barre weersomstandigheden
zowel bij goed als bij slecht weer Weer of geen weer: we gaan kamperen!
winderig en regenachtig weer

weer

Wetter, wieder, abermalig, abermals, Abwehr, von neuem, Wehr, wiederholt, Witterung, zurückagain, weather, defence, defense, wether, afresh, alloveragain, anew, oncemoretemps, encore, de nouveau, défense, de retour, en retour, encore (une fois), météoκαιρός, πάλιdifesa, ancora, tempoطَقْس, مَرّةً أُخْرىopět, počasíigen, vejrotra vez, tiemposää, taasopet, vrijeme再び, 天気날씨, 다시igjen, værpogoda, znowunovamente, tempoпогода, вновьigen, väderอากาศ, อีกครั้งhava, yinelại, thời tiết再次, 天气 (wer)
bijwoord
1. nog een keer Het is weer zover: mijn computer doet het niet meer. Nee, niet weer hè! Wanneer kom je weer eens op bezoek? Wat nou weer?
<dit zeg je als je vraagt naar iets wat je vergeten bent> Hoe heet jij ook weer?
2. zoals vroeger Hij is weer beter. We zijn weer thuis.